Wie-wat-mag-doen strijd rond VET helpt transitie niet vooruit

Martien Visser over rolverdeling tussen netbeheerders, netwerkbedrijven en energiehandelaren.

De Tweede Kamer buigt zich momenteel over de wet VET. VET betekent Voortgang Energie Transitie. Of die vlag de lading dekt waag ik te betwijfelen. De wet moet vooral gezien worden als sluitstuk van de liberalisering van de energiemarkt. VET markeert ook de overgang naar de nieuwe wereld van de energietransitie. Dat blijkt ook uit de toelichting op de wet: "Door nu reeds aanpassingen voor te stellen, wordt de energietransitie .... niet onnodig vertraagd". Nog vele aanpassingen zullen volgen. De Energietransitie moet immers niet alleen "niet vertraagd", maar juist versneld worden. Daarom zijn in VET ook allerlei mogelijkheden opgenomen om van de wet te kunnen af te wijken (‘experimenten').

 

De liberalisatie van de energiemarkt is twintig jaar geleden ingezet. In dit marktontwerp ligt het primaat bij energiehandelaren, die concurreren om de gunst van de consument. Om dat te kunnen doen hebben ze energienetwerken nodig, die in handen zijn van netbeheerders. Die beheerders fungeren als serviceverleners zodat de energiehandelaren hun spel op de vrije markt kunnen spelen.

 

In de praktijk loopt dat anders. Handelaren hebben altijd haast, terwijl netwerkaanpassingen veel tijd vergen. Bovendien hebben de netbeheerders de wettelijke taak gekregen voldoende netwerkcapaciteit te hebben, ook als handelaren er niet om vragen. De netbeheerders maken daarom proactief investeringsplannen, die door de Autoriteit Consument en Markt (ACM) worden getoetst. De overheid werd daarmee, naast de handelaren, in feite opdrachtgever van de netbeheerders. Tot zover was het betrekkelijk simpel.

 

Maar toen kwam de energietransitie. Daar hadden we twintig jaar geleden eventjes niet aan gedacht. Inmiddels weten we dat de geliberaliseerde energiemarkt niet stuurt richting minimale CO2-emissies en maximale duurzaamheid. We noemen dat in de economie marktfalen en dan kijken economen al snel naar de overheid. Die heeft haar rol met verve opgepakt. Dankzij miljardensubsidies heeft zij partijen overgehaald bij te dragen aan de energietransitie.

 

En nu ligt er VET. Het vervolg op de wet Stroom. Ook ditmaal gaat de discussie over de marktordening. In het bijzonder over de rolverdeling tussen netbeheerders, netwerkbedrijven en energiehandelaren. De felheid waarmee deze discussie wordt gevoerd is begrijpelijk. Er staat veel op het spel. De energietransitie is een miljarden business geworden. Iedereen wil daarin een graantje meepikken. Daar is weliswaar volop ruimte voor, maar het laat onverlet dat het uitschakelen van potentiële concurrenten lucratief kan zijn. De hiervoor gebruikte argumentatie is evenwel soms tenenkrommend.

Wie neemt nu eindelijk de verantwoordelijkheid om onze steden en industrie├źn CO2-vrij te maken?

Neem de tegenstelling tussen overheidsbedrijven (lees: de netbeheerders) en private bedrijven (lees: de energiehandelaren). Geclaimd wordt dat overheidsbedrijven weinig innovatief en efficiënt zijn en dat de energietransitie dus moet worden overgelaten aan ‘de markt'. Een onderbouwing heb ik nooit gezien; tenzij het die oude grap betreft van een ambtenaar die knipoogt door een van zijn ogen open te doen. Het tegendeel lijkt het geval. De voortrekkers van wind op zee Dong, Vattenfall, ENBW en Statoil, zijn, toeval of niet, juist bedrijven waar de overheid als aandeelhouder de baas is. Net zo min zijn private bedrijven (lees: energiehandelaren) slechts op winst beluste wolven, die niet het beste met Nederland en de energietransitie voor zouden hebben. Ook daarvoor ontbreekt bewijs. Waarom zouden zij geen slimme netwerken kunnen ontwikkelen en beheren?

 

Een ander argument is dat netwerkbedrijven oneerlijke concurrenten zijn omdat ze inkomsten vanuit hun netwerkdivisie kunnen gebruiken voor de energietransitie. Of dat erg is, kun je je afvragen; het geld moet toch ergens vandaan komen. Maar het is de discussie eigenlijk niet waard, want vrijwel alle grote energiehandelaren, waar onder Vattenfall en ENBW, bezitten netwerken waaruit ze inkomsten verkrijgen. Trouwens, ook Statoil gebruikt haar olie- en gasinkomsten voor investeringen in de energietransitie, zoals Dong eerder heeft gedaan.

En dan is er het schijnbare onderscheid tussen ‘markt' en ‘gereguleerd'. Kenmerk van markt is prijsonzekerheid, maar die is dankzij subsidies nagenoeg afwezig. Anderzijds besteden gereguleerde netwerkbedrijven een groot deel van hun werkzaamheden uit aan ‘de markt'. Afgaande op hun jaarverslagen, kom ik al gauw op vijftig procent voor de regionale netwerkbedrijven en op zeventig procent bij TenneT en Gasunie. Denkt u echt dat de COBRA-kabel naar Denemarken wordt aangelegd door medewerkers van TenneT? Welnee, dat doen Siemens en Prysmian.

 

Jammer dat de discussie rond VET zich concentreert op rolverdelingen en nauwelijks gaat over het vele werk dat voor ons ligt wat nog vele uitdagingen met zich meebrengt. Het wordt best spannend. Zoveel tijd hebben we niet om de energietransitie in goede paden te leiden. Hele steden moeten CO2-vrij worden, duizenden kleine en grote industriële bedrijven eveneens. Er is zoveel werk te doen.

Misschien nog wel vervelender is het gebrek aan politieke consensus over de marktordening. We zagen dit eerder bij Stroom. Nu komen de discussies opnieuw naar boven. En deze wetswijziging is niet de laatste. Ongeacht de uitkomst deze keer dreigt de strijd over wie wat mag doen daarom door te gaan. Ten koste van waar het werkelijk om draait. Deze onzekerheid frustreert de voortgang aanzienlijk.

 

Wie neemt nu eindelijk de verantwoordelijkheid om onze steden en industrieën CO2-vrij te gaan maken? Hoe gaan we onze industrie een nieuwe toekomst geven? Best leuk die waterstof, maar hoe krijg ik die bij mij thuis, als ik Groningen gas vaarwel wil zeggen? Natuurlijk, we kunnen telkens wachten totdat de overheid weer driftig met haar geldbuidel zwaait om het ‘marktfalen' op te heffen. Maar is dat de energiemarkt die we willen?

 

Ik pleit ervoor te stoppen met de krampachtige benadering van de rolverdeling. Alle partijen moeten maximaal bij kunnen dragen aan de energietransitie. Er is voor iedereen werk genoeg. Wanneer energiehandelsbedrijven iets slimmer en goedkoper kunnen, prima. Wanneer netwerkbedrijven beter zijn, prachtig. Als ze schouder aan schouder gaan samenwerken, nog beter. Alleen op die manier kan de rollenstrijd definitief worden beslecht, en kunnen we echt aan het werk.

 

Martien Visser is lector energietransitie & netintegratie, Hanzehogeschool Groningen en Manager Corporate Strategy bij Gasunie. Op Twitter is hij actief onder @BM_Visser