Verwarring over kosten klimaatbeleid

Pieter Boot: "Investeringen zijn iets anders dan kosten. Dat lijkt soms voor Kamerleden moeilijk te begrijpen"

In de Tweede Kamer vond onlangs een uitvoerig gesprek plaats over kosten van het klimaatbeleid. Dat was natuurlijk zinvol, maar bevatte verwarrende delen. Nationale kosten, investeringen, kosten van beleid - het leek een kluwen van begrippen waarin veel verwarring bestond en sommige partijen vooral hun eigen gelijk probeerden te halen. Ik zal een poging doen enige helderheid te verschaffen. Daaruit blijkt dat we veel nog niet precies weten, maar ordegrootten lijken aan te wijzen. 

 

Het bedrag dat Nederland jaarlijks betaalt aan de energievoorziening wordt niet nauwkeurig bijgehouden. Ik noem dat hier verder de totale nationale energiekosten. Er zijn ook verschillende cijfers in omloop. Dat verschil is doorgaans begrijpelijk. CE Delft becijferde in 2017 de huidige jaarlijkse kosten van de energievoorziening op 30 miljard euro. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) en het Energy Transition Model (ETM) van Quintel komen op ongeveer 50 miljard euro. Dat verschil lijkt te verklaren door de afbakening. CE Delft neemt bijvoorbeeld de industrie niet mee omdat het zijn kennis daarover onvoldoende acht. PBL en Quintel nemen deze sector wel mee. Ook zij moeten de kosten afbakenen. Je neemt de afschrijving van de extra kosten van een nulemissiewoning bijvoorbeeld wel mee, maar dat een huis regulier onderhoud vereist niet. Tegenover deze kosten staan natuurlijk ook baten: dat we kunnen rijden in auto's, kunnen wonen in verwarmde huizen, de industrie zijn producten kan maken, enzovoort.

De investeringen zijn enorm, maar die bedragen worden over meerdere jaren afgeschreven

Investeringen zijn iets anders dan kosten. Dat lijkt soms voor Kamerleden moeilijk te begrijpen. In het genoemde debat stelde een Kamerlid dat het 500 miljard zou kosten om alle huizen van het gas af te krijgen - hij bedoelde waarschijnlijk investeringen. Los van de vraag of dit bedrag correct is, zijn investeringen enorme bedragen, maar worden ze over meerdere jaren afgeschreven. De huidige jaarlijkse investeringen in het energiesysteem worden in de Nationale Energieverkenning (NEV 2017) ruwweg op 14 miljard euro per jaar gesteld, die zonder nieuw beleid volgens PBL oplopen tot 16 miljard per jaar in reële prijzen. In deze investeringen zit bijvoorbeeld niet de ‘normale' aanschaf van personenauto's. Dat alleen al is een bedrag van 12 tot 15 miljard per jaar (400 tot 500.000 auto's per jaar tegen gemiddeld 30.000 euro). Voor de investeringen heeft PBL in 2017 geschat met hoeveel deze moeten worden verhoogd om op 80 of 95 procent reductie van broeikasgassen in 2050 af te koersen. Voor de periode 2020-2040 wordt dat op 10 miljard euro (bij 80%) tot 13,5 miljard (bij 95%) per jaar extra becijferd. Ongeveer de helft daarvan vindt in deze analyse plaats in de gebouwde omgeving. 

Hoe gaan de totale nationale energiekosten zich tot 2030 ontwikkelen? Hoogstwaarschijnlijk nemen deze toe. Het vergt een echte analyse de omvang daarvan te bepalen. De mondiale brandstofprijzen nemen volgens de NEV toe. De investeringskosten en daarmee de jaarlijkse kapitaalkosten (afschrijving en rente) nemen ook toe. Maar daardoor nemen de brandstofkosten weer af: je stookt immers minder in een geïsoleerd huis. De operationele kosten zouden kunnen toenemen - er zijn meer kapitaalgoederen - maar ook afnemen - elektrische auto's vragen minder onderhoud dan conventionele.

Bij elkaar kan het om een toename van een ordegrootte van 0,1% van het BNP per jaar gaan

Uitgedrukt als percentage van het BNP is de toename van de totale nationale kosten minder. Rekening houdend met een vrij hoge economische groei tot en met 2019 en daarna het gemiddelde van een hoog en een laag scenario zoals berekend in een omvangrijke studie van het CPB en PBL, de WLO, zou het BNP in 2030 ongeveer een derde hoger zijn dan in 2015. Ruw geschat is de mogelijke toename van de totale nationale energiekosten daarmee in de ordegrootte van 0,1% van het BNP per jaar.   

CE Delft laat zien dat op nog langere termijn het beeld anders kan zijn. De klimaatinspanning leidt dan tot steeds grotere besparingen en door schaalvoordelen nemen de investeringskosten af. De laatste reductie inspanning zal anderzijds duurder zijn dan de eerste. Uiteindelijk is volgens CE Delft niet ondenkbaar dat de hogere kapitaalkosten opwegen tegen de lagere uitgaven aan brandstof en de totale nationale energiekosten ongeveer hetzelfde of iets lager zijn dan zonder het klimaatbeleid. DNV GL liet onlangs iets soortgelijks zien voor het mondiale beeld. Hier zien we nog af van het gegeven dat als er in de hele wereld meer klimaatbeleid wordt gevoerd, de vraag naar fossiele brandstoffen lager wordt en over 20 jaar de wereldmarktprijs van bijvoorbeeld olie slechts de helft zou kunnen zijn dan zonder nieuw beleid. 

Kortom, met enig puzzelen kunnen we ons voorzichtig een eerste beeld vormen van de totale nationale energiekosten in 2030 nu en bij meer klimaatbeleid. Ze bedragen nu globaal 50 miljard per jaar. Brandstofprijzen - die los van het Nederlandse beleid staan - en investeringen zorgen voor hogere kosten, besparing en wellicht onderhoud voor lagere. Bij elkaar kan het om een toename van een ordegrootte van 0,1% van het BNP per jaar gaan. Het aandeel kapitaalkosten stijgt en dat van de brandstofkosten daalt. De stabiliteit van de rekening neemt daarmee toe. Klimaatbeleid is daarmee ook een vorm van ‘hedging' tegen wisselende mondiale brandstofprijzen. 

 

Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving