Opinie, Klimaat
25 november 2016

Pieter Boot: “Energie het hart van klimaatbeleid”

“Toekomst die bijdraagt aan de klimaatdoelen vaak beter voor voorzieningszekerheid”

Vorige week verscheen de eerste World Energy Outlook van het Internationaal Energie Agentschap die niet door de gepromoveerde huidige directeur Fatih Birol werd geredigeerd. De boodschap van de WEO is door de nieuwe auteurs alleen maar versterkt: in veel gevallen is een toekomst die meer bijdraagt aan de klimaatdoelen ook beter voor de voorzieningszekerheid. Het IEA wil in dit debat de rol van een clean energy hub spelen. Het klimaatakkoord van Parijs is het ‘eind van het begin'- de verkiezing van president Trump maakt dat zeker niet makkelijker, maar doet er niets aan af. Dit akkoord is in wezen een afspraak over energie. Om licht te werpen op deze uitdagingen is de WEO dikker dan ooit. Ik licht er twee elementen uit: de grote vragen van de oliemarkt en enkele kenmerkende verschillen tussen het referentiescenario met voorgenomen beleid en een klimaatscenario dat vijftig procent kans heeft om de temperatuurstijging tot 2 graden te beperken.

Het IEA maakt zich zorgen over de oliemarkt. Al twee jaar zijn er vanwege de lage olieprijs geen grote investeringsbeslissingen meer genomen. De tight oil productie uit de Verenigde Staten is weliswaar robuust gebleken, maar zal niet onbeperkt kunnen toenemen. Als investeringen in grote projecten nog een jaar uitblijven is in het referentiescenario een boom and bust onvermijdelijk met zeer volatiele prijzen. Het aandeel van het Midden-Oosten in de olieproductie is nu al het grootste in 40 jaar, wat aan de onzekerheid bijdraagt. De mondiale olievraag blijft in dit scenario toenemen: minder voor het passagiersvervoer, meer voor vrachtvervoer, luchtverkeer en petrochemie (niet zozeer in Europa, vanwege blijvend lagere prijzen verschuift deze binnen de OESO naar Noord Amerika). Het klimaatbeleid  kan hier te hulp schieten. Daardoor kan de toename van de vraag omslaan in een afname, waardoor minder extra aanbod nodig is en de prijsvolatiliteit kleiner zou zijn. Ook in de Verenigde Staten is de nu al voorziene afname van olie-import in veel grotere mate veroorzaakt door zuiniger voertuigen dan door extra productie.

“Subsidies van hernieuwbare energie geringer dan die van fossiele energie”

Het klimaatscenario is nog niet voldoende om volledig recht te doen aan het akkoord van Parijs, maar om dat te bereiken is al heel veel nodig. In verhouding tot het referentiescenario wordt het grootste verschil veroorzaakt door meer hernieuwbare energie (een derde), efficiency (een kleine derde) en in mindere mate door afvang en opslag van koolstof (het vooruitzicht daarvan is neerwaarts bijgesteld ten opzichte van vorige WEO's) en kernenergie. De WEO gaat zeer uitgebreid in op hernieuwbare energie. Ik stip drie aspecten aan. Het eerste betreft de subsidies. De berekende subsidies van hernieuwbare energie zijn met 150 miljard USD geringer dan die van fossiele energie (325 miljard USD). Het IEA berekent deze als het verschil tussen de kostprijs van een energiebron en de marktprijs. Met die blik zijn er nauwelijks subsidies voor fossiele energie in de OESO-landen. De subsidies voor hernieuwbare energie lopen tot 2030 sterk op. Geleidelijk worden windenergie op land en grootschalige zon-PV ook bij lage CO2-prijzen concurrerend met fossiel opgewekte elektriciteit. Bij wind op zee is dat in het referentiescenario langduriger nog niet het geval, bio-energie wordt er nooit concurrerend. Interessant is dat in het klimaatscenario, ondanks lagere fossiele brandstofprijzen (vanwege de lagere vraag), er 40 procent meer hernieuwbare elektriciteit in 2040 wordt geproduceerd tegen slechts 15 procent meer subsidie. Klimaatbeleid bevordert immers ook de schone technologie ontwikkeling. Omdat in het klimaatscenario veel minder energie wordt verbruikt, is de energierekening van burgers er in Europa in 2040 meer dan 10 procent lager dan in het referentiescenario. Ten tweede vereisen meer wind- en zonne-energie wel een andere elektriciteitsmarkt. Een variabel aanbod van wind en zon vraagt om een vraag die sterker op prijzen kan reageren en om meer opslag van energie. Als dat er niet tijdig komt, zou in Europa na 2030 een derde van de nieuwe capaciteit van zon en wind maar ten dele kunnen draaien, omdat de elektriciteit nergens heen kan. En ten derde is de toename van hernieuwbare elektriciteit weliswaar goed op gang gekomen, maar blijft die daar in de warmtemarkt en het transport nog sterk bij achter.

De WEO kan ook het Nederlandse energiebeleid van dienst zijn, zoals energie-ambassadeur Bert Roukens bij de presentatie in Den Haag terecht zei. PBL liet onlangs zien dat de jaarlijkse reductie van CO2 ongeveer vier- tot vijfmaal zo groot moet zijn dan wat we de afgelopen 10 jaar realiseerden om in 2030 en 2050 in lijn met de Parijsdoelen te komen. De WEO geeft een aardige illustratie van hoe dit zou kunnen door te wijzen op het voorbeeld van de Noordse landen. Alle hebben, vaak in een wet vastgelegde, lange termijndoelen. Finland en Noorwegen zijn de enige OESO-landen waar de investeringen in energie RD&D meer dan 0,1 procent van het BNP bedragen. Zweden streeft naar netto nul-emissies van broeikasgassen in 2050. In de warmtevoorziening is het hoofdinstrument daarbij een sterk oplopende CO2-belasting. Met een groot aandeel hernieuwbaar is elektrificatie doeltreffend. Export van schone Noorse elektriciteit kan zelfs een deel van de inkomstenderving van oprakend olie en gas compenseren.

De uitdagingen zijn groot. Energie is de kern van het klimaatbeleid, maar slim klimaatbeleid helpt de andere energiedoelen. De WEO laat zien hoe we op alle fronten van schoon, betaalbaar en betrouwbaar verder kunnen.

Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving