Opinie, Politiek, Klimaat
11 juli 2016

Naar een Klimaat- of Energietransitiewet?

Piet Boot, PBL: Brede klimaatwetgeving heeft grote invloed op het beleid

Er wordt op dit moment veel nagedacht over de sturingsvraag van de transitie naar een koolstofvrij energiesysteem in ons land in 2050. Dit is nuttig, want de komende jaren zijn wellicht de laatste waarin deze richting nog kan worden ingeslagen - anders zijn we te laat. Het gaat om een grote systeemwijziging. De vraag is ingewikkeld, want ze heeft betrekking op vier onderdelen: de rol van het Rijk, de rol van andere partijen bij het Energieakkoord als vertegenwoordigers van de energieke samenleving, de rol van Europa en die van mede-overheden.

 

De RLI heeft al geïndiceerd dat het nuttig zou zijn als het Rijk het doel van de transitie in een wet zou vastleggen. Naast het Verenigd Koninkrijk en Mexico hebben vorig jaar ook Denemarken, Finland en Frankrijk een Klimaat- of Energietransitiewet aangenomen, en Noorwegen heeft besloten dat er in 2017 een komt. In alle gevallen vond dat plaats met een zeer ruime parlementaire meerderheid. Een Energietransitie- of Klimaatwet zijn beide denkbaar, het verschil is dat een Klimaatwet ook zou toezien op overige broeikasgassen in de landbouw en in veel gevallen ook op aanpassing aan klimaatverandering. Afgezien van die in Frankrijk zijn het kaderwetten, die verder niet diep ingaan op de inhoud van het probleem, maar zich toespitsen op doel, monitoring, bijsturing en spelregels (wie is waarvoor verantwoordelijk, wie monitort de voortgang en stelt prognoses op, wat doen we als we niet op de goede weg zijn). Literatuur indiceert dat brede klimaatwetgeving grote invloed heeft op het beleid dat vervolgens tot stand komt.

Het Energieakkoord2 zou een rol kunnen spelen in de feitelijke invulling van de Klimaatwet

Maar alleen een wet brengt geen transitie tot stand. Daartoe is ook een energieke samenleving nodig. In het energiebeleid heeft dit de vorm gekregen van het Energieakkoord, dat nu wordt geëvalueerd. Mijn indruk is dat het Energieakkoord tot verbreding en verdieping van acties richting een schoner energiesysteem heeft geleid die anders niet gelukt zouden zijn. Er zijn ook tekortkomingen: te veel op de korte termijn gericht, het parlement weet zich er niet goed raad mee, en vragen: hoe moet je bijsturen als de omstandigheden drastisch veranderen? In elk geval het Rijk zou door zo'n Klimaatwet aan veel van de tekortkomingen tegemoet kunnen komen. Het Energieakkoord2 zou een rol kunnen spelen in de feitelijke invulling van de Klimaatwet.

 

Een derde partij is Europa. Door bijvoorbeeld het emissiehandelssysteem (ETS) of richtlijnen voor auto's en apparaten wordt over de duim meer dan de helft van de gewenste emissiereductie door Europa bepaald. We praten daarbij mee, maar hebben het niet voor het zeggen. De Klimaatwet zal moeten aangeven hoe we daarmee om willen gaan. Stel we hebben een doel van 90 procent emissiereductie in 2050 en het ETS brengt de emissiereductie op Nederlandse bodem in industrie en energiesector maar tot 60 procent. Wat doen we dan? En stel een additionele reductie in de industrie kost maar een fractie van die in de gebouwde omgeving. Is dat van belang? Ik zou denken dat uiteindelijk de Nederlandse regering en parlement verantwoordelijk zijn voor de energietransitie in Nederland, maar dat is een politieke keuze. Onderdeel van dit Europese debat zijn ook de afspraken die zijn gemaakt over de Energie Unie. Die geven een groter gewicht aan keuzes van de lidstaten dan in het 2020-pakket. Volgend jaar leveren de lidstaten hun scenario's in tot 2030 met een doorkijk naar 2050. We zullen in de aanloop daarheen ook moeten bezien of niet alle Noordwest-Europese landen denken elektriciteit te importeren als het niet waait of de zon niet schijnt, zonder zich af te vragen waar die vandaan moet komen.

 

Een vierde partij vormen de mede-overheden. Veel gemeenten hebben zich voorgenomen in een bepaald jaar emissieneutraal te zijn of hebben een soortgelijk doel gesteld - zonder dat doorgaans duidelijk is hoe dat gerealiseerd kan worden. Door de nieuwe Omgevingswet ontstaat de mogelijkheid van interactief ruimtelijk en energiebeleid op regionaal niveau. Op dit vlak is nog veel te doen. De VNG werkt aan vijf pilots en twaalf projecten die veel nuttige ervaringen kunnen opleveren. Het ligt niet voor de hand bijvoorbeeld Velsen verantwoordelijk te houden voor het gehele energieverbruik van Tata Steel, want wat kan men er aan doen? We zouden wel in de Klimaatwet kunnen afspreken dat gemeenten binnen hun regio verantwoordelijk zijn voor het energieverbruik van bijvoorbeeld de gebouwde omgeving en een deel van het transport. Dan moet men daartoe wel beleidsbevoegdheden krijgen - zoals de mogelijkheid strengere normen op te leggen dan de landelijke, wat in Duitsland allang het geval is. Het verkeersbeleid is deels al gedecentraliseerd en daar kan de transitie opgave bij aansluiten.

 

De sturings- of governance vraag gaat verder dan het al of niet stand brengen van een Klimaat- of Energietransitiewet. We moeten doordenken of we vooral top-down willen opereren zoals de Britten, of bottom-up zoals de Denen - of een combinatie daarvan zoals het Nederlandse waterbeleid. Ik voel veel voor het laatste.

Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving