Opinie, Politiek, Markt, Klimaat
13 september 2017

Moet consumptie belangrijker worden in klimaatbeleid?

Pieter Boot over onze koolstofvoetafdruk
De Engelse energiedeskundige Dieter Helm verzuchtte enkele jaren geleden in zijn veel gelezen The Carbon Crunch dat we onze broeikasgasemissies niet echt verminderd hadden, maar we ze vooral hadden geëxporteerd: de West-Europese emissiereductie zou vooral te danken zijn aan het wegtrekken van industrie naar China. Gaat deze stelling nog steeds op, ook voor Nederland, en moeten we ons dan ook niet richten op consumptie in het klimaatbeleid?

Opmerkelijk is dat er weinig recent materiaal beschikbaar is om deze vragen goed te beantwoorden. Dit is vooral omdat de internationale broeikasgasstatistiek gericht is op emissies binnen de grenzen. De emissies gerelateerd aan consumptie moeten berekend worden en bronnen kunnen elkaar dan tegenspreken. Maar als we alle stukjes bij elkaar rapen, komen we een eind.

Recente interessante cijfers komen van het wereldwijde Global Carbon Project, waaraan ook Glen Peters meewerkt. Hij is auteur van een nog steeds toonaangevend wetenschappelijk artikel met cijfers over 2001. Dit project geeft cijfers over CO2-emissies die verband houden met productie en consumptie (dus gecorrigeerd voor import en export) van 1990 tot en met 2014 voor China, de Verenigde Staten, de Europese Unie en India. Ruwweg vertonen deze het patroon waar Dieter Helm bang voor was. Vooral de Europese Unie kent een groot verschil tussen emissies die consumptie-gerelateerd zijn (de koolstofvoetafdruk) en die veroorzaakt worden door nationale productie (die in het klimaatbeleid aan de lidstaten worden toegerekend). De Europese koolstofvoetafdruk is ongeveer een kwart groter dan gerelateerd aan de productie. Van 1990 tot 2007 werd dat verschil steeds groter, maar sinds 2007 is het iets kleiner geworden. China geeft het spiegelbeeld van de EU. In de Verenigde Staten is het verschil tussen consumptie en productie veel kleiner.
“voedsel blijft een relatief open vraagstuk omdat de emissies die gerelateerd zijn aan Nederlandse voedselconsumptie grotendeels in het buitenland plaatsvinden”

Voor 2007 zijn er uit een andere bron, het CREEA project, veel nauwkeuriger cijfers over de ‘outsourcing' van de belangrijkste broeikasgasemissies, omdat hier ook de situatie per land wordt vermeld. Voor de hele Europese Unie krijgen we hetzelfde beeld: de koolstofvoetafdruk is ongeveer een vijfde groter dan de emissie van nationale productie. Nederland blijkt hier relatief veel emissies te ‘outsourcen', iets meer dan andere landen. Kampioen outsourcers zijn Zwitserland en Zweden. Als we de consumptie meenemen is Nederland per hoofd van de bevolking nummer 10 van de wereld (we hebben dus relatief veel emissies), voor Duitsland. Als we alleen naar de productie kijken (dus volgens de formele aanpak van het klimaatbeleid, zonder import en export mee te wegen), is de positie van Nederland een betere 14e plaats, nu achter Duitsland. Nog duidelijker wordt het verschil met de Russen. De gemiddelde Rus stoot volgens deze bron 17 CO2-equivalenten uit, lettend op de nationale productie, tegen de gemiddelde Nederlander 13. Maar gerelateerd aan de consumptie stoot de Nederlander 17 ton uit en de Rus 12.

Het CBS en PBL (in het Compendium van de Leefomgeving) hebben tweemaal specifiek naar de Nederlandse ontwikkeling gekeken. Het Compendium geeft cijfers voor de belangrijkste broeikasgassen van 1995 tot en met 2011, het CBS voor alleen CO2 van 2010 tot en met 2014. Het Compendiumbeeld is vergelijkbaar met dat van de mondiale analyse, maar nog pregnanter. In 1995-2008 stegen de aan Nederlandse consumptie-gerelateerde emissies met zo'n 10 procent, terwijl die van de productie constant bleven. Daarna daalden ze door de economische crisis beide. In 2011 vond ruim 56 procent van de uitstoot van broeikasgassen door Nederlandse consumptie plaats in het buitenland, in 1995 was dat nog 49 procent. Maar kennelijk zijn er nog veel methodologische vragen te beantwoorden, want het CBS liet met cijfers over 2010-2014, "met een berekeningsmethode die nog in ontwikkeling is", zien dat de Nederlandse koolstofvoetafdruk in deze periode lager was dan de CO2-uitstoot van de Nederlandse economie. Nederland importeerde hier de meeste CO2 door producten en diensten uit de Verenigde Staten en Duitsland. Ook methodologisch is het laatste woord nog niet gesproken.

Voor de toekomst lijken twee aspecten van belang. Enerzijds voeren nu, anders dan zeg 15 jaar geleden, alle belangrijke landen (of in de VS delen daarvan) stevig klimaatbeleid. Dit lijkt me een factor waarom in de meeste landen de laatste jaren het verschil tussen productiecijfers en koolstofvoetafdruk niet verder toeneemt. Maar anderzijds gaat voedsel een belangrijker rol spelen in het klimaatbeleid buiten de energietransitie. Stel dat het echt lukt een duurzame energievoorziening te realiseren. Van de door het ministerie van Economische Zaken benoemde functionaliteiten komen we dan bij 95 procent emissiereductie in 2050 voor warmte, kracht en licht een heel eind richting nul of lager. Mobiliteit en met name lucht- en scheepvaart blijven moeilijk. Maar voedsel blijft een relatief open vraagstuk omdat de emissies die gerelateerd zijn aan Nederlandse voedselconsumptie grotendeels in het buitenland plaatsvinden. Is het niet zo dat, zeker voor Nederland, de vraag van Dieter Helm zich gaat toespitsen op ons voedsel? In deze functionaliteit heeft alleen een aanpak die consumptie in mondiale ketens meeneemt zin.

Ja, de vraag naar onze koolstofvoetafdruk is ook voor Nederland relevant, waarschijnlijk zelfs iets meer dan gemiddeld voor de Europese Unie. Voor de Europese Unie is het verschil tussen de productie zoals die in het klimaatbeleid wordt berekend en de koolstofvoetafdruk de laatste jaren niet verder toegenomen, na de decennia daarvoor sterk gestegen te zijn. Maar als we onze klimaatambities willen realiseren is het nodig parallel aan de energietransitie ook na te denken over een ketenaanpak voor ons voedsel en meer algemeen over onze voedselconsumptie.

Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving