Opinie, Klimaat, Wetenschap
8 februari 2018

Korte termijn-gevolg afscheid aardgas wordt onderschat

Aad Correljé over ‘Groningen' als probleem voor de Nederlandse beschaving als geheel

Aardgas uit Groningen is verworden van een zegen als bron van Hollands Welvaren tot een Nederlandse vloek. Minister Wiebes zit zo klem als een deur tussen zijn verantwoordelijkheden, zegt hij. Enerzijds moet hij de Groningers vrijwaren van aardbevingen. Anderzijds moet er voldoende gas beschikbaar zijn voor de energievoorziening van Noord-West Europa. Op korte termijn kunnen we alleen maar hopen op een mild voor- en najaar, terwijl de NAM het Groningenveld rust geeft door middel van een passend patroon van winning. Op iets langere termijn zullen we een reeks van mogelijkheden moeten overwegen om de behoefte aan Groningengas te reduceren tot een ‘veilig' niveau, wat dat dan ook moge zijn. En dan telt natuurlijk ook het verminderen van de Nederlandse CO2-uitstoot mee als beleidsdoel. De grote uitdaging voor Nederland op dit moment lijkt dan ook te bestaan uit het maken van keuzes, om die zo snel mogelijk uit te voeren.

 

Het vervangen van aardgas in de gebouwde omgeving door stroom of andere gassen lijkt doeltreffend en wordt vaak als oplossing aangedragen. Iedereen kan zich immers een elektrische kookplaat, warmtepomp of warmtenet voorstellen, gevoed met duurzame energie. Betere isolatie zou het energiegebruik aanmerkelijk verminderen. Ook het ombouwen van industriële installaties van Groningen naar hoogcalorisch gas lijkt een simpele technische aanpassing. Als dat ook in Duitsland, België en Frankrijk gebeurt kan de export flink omlaag. Het importeren van hoogcalorisch gas uit het buitenland met toevoeging van extra stikstof is voor de hand liggend. In Groningen zou ook stikstof geïnjecteerd kunnen worden in het veld om de druk op peil te houden. Of misschien zelfs CO2? Natuurlijk vergt iedere optie systeem-technische aanpassingen. Er zijn op grote schaal nieuwe installaties, pijpen, kabels en apparaten nodig. Dat kost tijd en geld en daaruit vloeien plannings-, financierings- en reguleringsvraagstukken voort.

Maar we hebben de afgelopen jaren ook ontdekt dat het aanpassen van ‘ons' energiesysteem maatschappelijk gezien geen sinecure is. Windturbines, gasopslagen, schaliegas, hoogspanningsleidingen en slimme meters stuitten op grote weerstand, en zelfs het gebruik van zonnepanelen is niet zonder discussie. Gebleken is dat er nogal wat uiteenlopende bezwaren genoemd worden onder verschillende groepen mensen. Een nog veel urgentere uitdaging bestaat dan ook uit het vinden van een geschikte manier om keuzes te kunnen maken en om ze vervolgens uit te voeren, rekening houdend met  al deze maatschappelijke ‘wensen'.

De afgelopen weken bleek dat transparantie in wat we weten en wat niet een eerste stap moet zijn in het beheersen van het kernprobleem

In zijn boek Vuur en Beschaving (1992, 2015) analyseert de Amsterdamse socioloog Joop Goudsblom de rol van vuur in de menselijke beschaving. Hij ging uit van het idee van Norbert Elias dat mensen in iedere beschaving moeten (leren) omgaan met de fysieke buitenwereld inclusief technologie, met elkaar en met zichzelf, en dat die drie nooit los van elkaar kunnen staan. Goudsblom beschrijft voor beschavingen vanaf de vroegste prehistorie hoe een toenemend vermogen tot het beheersen van vuur, inclusief het voorzien in brandstoffen, tot meer welvaart, welzijn en macht leidde. Dit ging echter gepaard met een steeds grotere afhankelijkheid van dat vuur voor het functioneren van die samenlevingen, en daarmee ook van de daarvoor noodzakelijke sociale organisatie, en de individuele "psychische" discipline met betrekking tot gedrag en preferenties.

Een ander belangrijk inzicht is dat die beheersing van vuur slechts mogelijk is door een sterke specialisatie van taken en kennis rond vuur en energievoorziening in specifieke personen en organisaties, waardoor de gewone mensen op steeds grotere afstand van de dagelijkse gang van zaken rond vuurbeheersing  belandden. Tegelijkertijd, signaleert Goudsblom, wordt comfortabele energie als een zekerheid beschouwd, waarmee vertrouwde sociale en individuele patronen van wonen, werken, produceren en vervoer gefacilieerd worden. Historisch is zijn analyse in de zin dat mensen altijd beginnen te denken vanuit de erfenis van wat vooraf ging.

Nieuwe ontdekkingen scheppen dan ook ruimte voor allerlei terechte vragen, voor een veelheid aan uiteenlopende antwoorden en uiteindelijk tot maatschappelijke en bestuurlijke verwarring. Duidelijk is dat de bovengenoemde opties om het gebruik van Groningengas te reduceren consequenties zullen hebben voor de huidige individuele gasgebruikers en voor de sociale en economische organisatie van de energievoorziening.

 

Hierop voortbordurend ben ik van mening dat er, enerzijds, op dit moment een maatschappelijke onderschatting bestaat van de consequenties van een afscheid van aardgas op korte termijn. Anderzijds verwacht ik dat, juist door die langdurige gewenning aan energiecomfort, aantastingen daarvan tot extra weerstand zullen leiden. ‘Groningen' is daarmee een probleem voor de Nederlandse beschaving als geheel. Goudsbloem zegt in zijn slotwoord: "Meer dan ooit tevoren hebben de mensen comfort ontleend aan vuur, en meer dan ooit hebben zij met vuur schade en lijden toegebracht. De vuurbeheersing blijft een kernprobleem van de menselijke beschaving - een vermogen tot beheersing dat zelf ook weer om beheersing vraagt." Iedere dag weer de afgelopen weken blijkt dat transparantie in wat we weten en wat we niet (kunnen) weten een eerste stap moet zijn in het beheersen van dat kernprobleem.

 

Aad Correljé is universitair hoofddocent Economie van Infrastructuren aan de TU Delft en verbonden aan het Clingendael International Energy Programme.