Opinie, Politiek
27 november 2017

Kanttekeningen bij het ‘morele gelijk’ van milieuactivisten

Anton Buijs: "Gas als probleem, of (ook) als oplossing"
Kortgeleden verscheen een artikel in De Volkskrant, getiteld ‘Strijd om het "groene" imago van aardgas barst los'. Ik vond het een behoorlijk evenwichtig verhaal, maar tussen de regels door merk je hoe de auteur van de tekst, Jochem van Staalduinen, worstelt met het thema. ‘Aardgas', zo omschrijft hij de verwarring, ‘is zowel een ramp voor het klimaat als reddende engel; het is maar aan wie je het vraagt.' Veelbetekenend is een zinnetje dat ergens in de tekst opduikt: ‘De energiebedrijven kunnen zich niet beroepen op het morele gelijk, zoals hun tegenstanders'. Lees: Milieudefensie, de Partij voor de Dieren en andere milieu-activistische clubs die geloven dat om klimaatverandering te stoppen de gaskraan zo snel mogelijk dichtmoet.

Bij dat ‘morele gelijk' vallen wel enige kanttekeningen te plaatsen. Het is goedbeschouwd een zeer oud thema. Sinds mensenheugenis houden moralisten, boetepredikers en dominees van de strenge soort ons voor dat de mensheid een zondig ras is dat het Paradijs niet voor niets heeft verloren. Ze leveren er gelukkig ook altijd een recept bij waarmee wij die utopische wereld terug kunnen winnen. We moeten in harmonie met het Opperwezen, de medemens en de natuur gaan leven om onszelf te beschermen tegen het Kwaad. Doen we dat niet, dan kunnen we het Paradijs definitief vergeten. Voor de goede orde: deze rechtschapenen zijn niet verantwoordelijk voor de uitvoering van hun aanbevelingen. Zij kennen de weg die derwaarts gaat, maar hoeven geen rekening te houden met de inconsistenties, tegenstrijdigheden, belangenconflicten, menselijke missers en andere obstakels die alle goedwillenden onderweg tegen zullen komen. Negeren en doorlopen, luidt het devies.

Ik overdrijf hier wellicht, maar raak wel aan wat volgens mij de kern van menig maatschappelijk debat is: dat, om Willem Elschots gedicht Het Huwelijk te citeren, tussen droom en daad wetten in de weg staan en praktische bezwaren. Ter linkerzijde van het politieke spectrum vinden wij de meeste dromers. Compromissen doen ze niet aan, want het is een kwestie van goed of kwaad, niet van iets er tussenin. Meer in het centrum vinden we de realisten, die beseffen dat het middel revolutie gewoonlijk erger is dan de kwaal en dat we systemen van binnenuit stap voor stap moeten hervormen. Oud-premier Den Uyl noemde dit slag, waartoe hij zichzelf en zijn sociaaldemocratische beweging overigens ook rekende, snedig het ‘zondig ras der reformisten'.
“Het energie- en klimaatdebat is een illustratief voorbeeld van deze botsing van wereldbeelden”

Wat treffen wij ter rechterzijde aan? Daar bevinden zich onder andere de ondernemingen die het laatst in de gaten hebben dat er iets moet veranderen en die - zodra dat besef is doorgedrongen - voortdurend wijzen op de noodzaak van continuïteit en ruimte voor bestaande bedrijven (perfide ‘gevestigde belangen' in de ogen van links) om het probleem op te lossen. Liever niet gedwongen door wetten en regels maar door afspraken tussen direct belanghebbenden. Ook in deze kringen heb je overigens dromers en realisten. De eersten vinden dat je veel zo niet alles aan de het vrije spel der maatschappelijke krachten (lees: de markt) kunt overlaten; de tweede groep, evenals hun linksere broeders te situeren in het centrum, weten dat je daar niet mee weg komt in onze samenleving, dat de markt lang niet alles kan oplossen, dat bedrijven moeten leren luisteren naar andere stakeholders dan hun aandeelhouders en klanten en bereid moeten zijn kortetermijnbelangen (deels) op te geven in ruil voor continuïteit op langere termijn.

De lezer voelt ‘m al: het energie- en klimaatdebat is een illustratief voorbeeld van deze botsing van wereldbeelden. De groepen die volgens onze Volkskrant-journalist het ‘morele' gelijk aan hun kant hebben, zijn niet pragmatisch ingesteld. Dat zou immers vereisen dat zij accepteren dat gehate gevestigde belangen onmisbaar zijn om je idealen te verwezenlijken. Of, zoals ik in mijn vorige column voor Energiepodium schreef, dat je soms als het ware de duivel moet uitdrijven met Beëlzebub, ook al zegt de Bijbel dat dit niet mogelijk is.

Het onderwerp van het Volkskrant-artikel - Gas als probleem of (ook) als oplossing - is een voorbeeld van het laatste. De gassector biedt aan om de transitie naar een klimaatneutrale energievoorziening met zo min mogelijk negatieve gevolgen te versnellen door aardgas voorlopig aan te blijven bieden als, jawel, de schoonste van de fossiele brandstoffen en daarnaast het product gas te vergroenen. Een reformistische aanpak zou je dit ook kunnen noemen: de gasindustrie stelt voor om het bestaande systeem te hervormen door het nieuwe, hernieuwbare energie, te omarmen, maar het oude pas weg te gooien als je er niets meer aan hebt voor een efficiënte, kosteneffectieve energietransitie. Gas-op-maat heet deze door de gassector gepropageerde propositie.

Of dit ‘moreel' verdedigbaar is? Niet als je resultaten lager waardeert dan goede bedoelingen. Wel als je het eens bent met dit prachtige Engelse spreekwoord: The road to hell is paved with good intentions.

Anton Buijs is hoofd communicatie en public affairs bij GasTerra