Opinie, Politiek, Klimaat
29 maart 2017

Investeringen moeten ook gefinancierd worden

Pieter Boot: "Onconventionele klimaatinvesteringen moeten mainstream worden"

In haar ‘brief aan de kiezer' noemde staatssecretaris Dijksma van Infrastructuur en Milieu de noodzakelijke extra investeringen voor de energietransitie belangrijk, maar niet het grootste probleem.
Een recente workshop van de SER liet zien dat hier toch nog een forse agenda voor ons ligt.

 

De SER bracht daarbij twee nieuwe punten naar voren. Allereerst werd de omvang van de benodigde investeringen gepreciseerd. Ten tweede werd de financierbaarheid daarvan onderzocht.

 

Tot nu toe keken we bij de extra investeringen voor de energietransitie vooral naar het doel om in 2050 80 procent broeikasgassen ten opzichte van 1990 te reduceren. Ook de Energieagenda richt de blik vooral op dat doel. Maar als we een adequate bijdrage aan het bereiken van de doelen van het Parijsakkoord willen leveren, ligt 90-95 procent reductie meer voor de hand. De 80 procent is dan niet genoeg. Tot nu toe was het bedrag dat McKinsey noemde voor extra investeringen in 2020-2040 van in totaal 200 miljard Euro richtinggevend. PBL bevestigde deze schatting en berekende dat de extra investeringen die nodig zijn om 95 procent van de broeikasgasemissies van 1990 te reduceren fors hoger zijn: niet ruwweg 200 miljard Euro extra over de periode 2020-2040, maar eerder 250-300 miljard. De laatste inspanningen zijn immers het lastigst. Dit bedrag is ongeveer het dubbele van de voorziene investeringen in het referentiepad. Nu bouwt dat bedrag zich gelukkig op, stapsgewijs in vijfjaarsperioden van 2016-2020 naar 2030-2035. De eerstkomende 5 jaar is er maar een gering verschil met het bestaande beleid - waar de SDE+ om het aandeel hernieuwbare energie te laten toenemen immers reeds is gebudgetteerd - daarna wordt het steeds groter. Bij verre de meeste extra investeringen zijn te vinden in de gebouwde omgeving. Ook moeten we extra investeringen niet verwarren met extra kosten. Een groot deel van de investeringen wordt later terugverdiend, doordat er is bespaard of minder aan brandstoffen uitgegeven hoeft te worden.

“PBL veronderstelt dat bijvoorbeeld de isolatiekosten tot label A van de bestaande bouw, nieuwe warmtenetten voor de bestaande bouw, of alle niet-conventionele warmtesystemen niet op mainstream wijze gefinancierd kunnen worden”

Urgenter is het nadenken over de financierbaarheid. Altijd veronderstelt dit dat er voldoende voortgang is geboekt in beprijzing en regelgeving. Anders hoef je over financiering niet na te denken. De SER maakt daartoe een voorzichtig onderscheid in ‘mainstream' en ‘non-mainstream' investeringen. Bij de eerste is er sprake van adequate en robuuste regelgeving. Bij goede solvabiliteit en goed ondernemerschap kunnen de extra investeringen ten behoeve van de energietransitie op reguliere wijze gefinancierd worden. Voorbeelden zijn alle extra investeringen in de elektriciteitsnetten, de meeste investeringen in nieuwbouw van woningen en van de windparken op zee. In de workshop presenteerde PBL enkele schattingen over de omvang van de onderscheiden financierbaarheid. Het non-mainstream deel van de extra investeringen schat PBL op 50-65 procent. Het hoogste aandeel daarvan (tot 100 procent) wordt verondersteld in geheel nieuwe opties zonder duidelijk financieringsmodel, zoals afvang en opslag van koolstof (CCS) in industrie of elektriciteitsvoorziening. De grootste omvang is te vinden in de gebouwde omgeving: zowat de helft van het totaal. PBL veronderstelt dat bijvoorbeeld de isolatiekosten tot label A van de bestaande bouw, nieuwe warmtenetten voor de bestaande bouw, of alle niet-conventionele warmtesystemen niet op mainstream wijze gefinancierd kunnen worden. Via standaardisering, bundeling van opdrachten, financiële ontzorging van eigenaars en nieuwe verdienmodellen zullen daar oplossingen voor bedacht moeten worden.

 

Dat kan natuurlijk deels heel goed en in de workshop gingen betrokkenen bij het Energieakkoord daarmee voortvarend aan de slag. Bevestigd werd bijvoorbeeld dat hernieuwbare warmte in de gebouwde omgeving een financieringsvraagstuk met nog weinig focus is en dat bij hernieuwbare elektriciteit de financiering volwassener is. Aantrekkelijk is in oplossingsrichtingen te denken die ruimte bieden aan nieuwe spelers. Naarmate het aandeel mainstream financiering omhoog gaat krijgt de staatssecretaris in haar optimisme gelijk.

Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving