Opinie, Markt, Klimaat
19 oktober 2016

Eerst had ze uitzicht op de toekomst, nu op een kostbare exit

Coby van der Linde over langjarige solidariteit in de energietransitie
Met de verkiezingen in aantocht zal de aandacht, mogen we hopen, op een aantal maatschappelijke kwesties worden gericht. Een van de onderwerpen die ongetwijfeld aan de orde zal komen is de energietransitie. Met eerst het Energieakkoord in 2013, het RLI rapport Rijk zonder CO2 en het Energierapport 2015 en de brede maatschappelijke discussie in 2016 is energietransitie flink in de politieke agenda omhoog geschoven. Bovendien begint het Topteam Energie van het ministerie van Economische Zaken zijn vruchten af te werpen. Veel ondernemingen, van klein tot groot, zijn druk doende om gestalte te geven aan de energietransitie. Sommigen vinden het proces nog wat langzaam gaan, maar zo langzamerhand wordt duidelijk dat in Nederland heel breed wordt gewerkt aan deze omwenteling en niet alleen op het gebied van elektriciteitsproductie, zoals in sommige van onze buurlanden. Met het op stoom komen van het beleid en de uitvoering in de economie ontstaan er echter ook discussies over de kosten en baten van de nieuwe energie technologieën.  Dit is een bijzonder belangrijk element in een succesvolle voortzetting van de energietransitie en moet niet louter worden afgedaan als oubollig verzet van dorpsbewoners, die zich "verzetten tegen boerenmolentjes". Inmiddels zijn bijvoorbeeld de windmolens van industriële omvang, ook die op land, en is er serieus ruimtelijk en ander beleid nodig om goede belangenafwegingen te maken. Deze ontwikkeling is nog niet aan zijn eind en ook zonne-energieparken zullen groeien. Kortom er is een nieuw sociaal contract nodig met de verschillende stakeholders in de samenleving om de nieuwe energie technologieën succesvol te integreren in het energiesysteem en in de samenleving.
“Voor de huidige energietransitie is het platteland hard nodig”

Limburg en Groningen
Het sluiten van een ‘sociaal contract' tussen energie producerende regio's en de rest van Nederland is niet nieuw. Het zijn langdurige afspraken waarbij niet alleen het ‘oogsten' wordt geregeld, maar ook de verdeling van lusten en lasten gedurende en na de activiteiten. In het geval van Limburg is er veel geïnvesteerd in het economisch levendig houden van de lokale economie na het sluiten van de kolenmijnen. In de Groningse economie is in de loop der tijd ook al veel geïnvesteerd maar, met de gaswinning over zijn hoogtepunt heen, is onzekerheid ontstaan over de lange termijn toezeggingen van de verschillende partijen (ondernemingen en overheid). Er is een vertrouwensbreuk ontstaan in het sociale contract van de Groningers en de rest van Nederland. Hoewel de schadeafhandeling geregeld is bij wet, bleek er toch te veel licht te zitten tussen de afspraken op papier en de wijze waarop het is georganiseerd en uitgevoerd. De inspanningen om het vertrouwen in het sociale contract met de Groningers te herstellen zijn groot, maar zullen enige tijd vergen. Vertrouwen komt te voet en gaat per paard.

Zeeland
Dat is eens te meer belangrijk omdat het sociale contract met Zeeland nu ook in het geding is. Indertijd moest er een kerncentrale komen in Zeeland omdat er geen ‘potjesgas' beschikbaar was voor Pechiney, een Franse aluminiumfabriek. Omwille van de werkgelegenheid in de Scheldemond (en concurrentie met de havens van Gent en Antwerpen?) werd Borssele uitverkoren als plaats waar kernenergie kon worden ontwikkeld en goedkope stroom kon worden geleverd aan de industrie in het gebied. In de jaren zestig was men ervan overtuigd dat kernenergie het fossiele energie tijdperk, dus ook van aardgas, zeer zou inkorten. De haast om het aardgas te gelde te maken in die tijd kan hieruit worden verklaard. Bovendien waren in Zeeland de politieke lijntjes met Den Haag indertijd kort. De toenmalige politici hebben door het snelle opsteken van hun vinger voor de bouw van een kerncentrale in Borssele het nucleaire voortouw genomen voor de rest van Nederland (ook wat betreft nucleaire opslag trouwens). Zij hebben dit vast en zeker op basis van een langjarig sociaal contract gedaan met de rest van Nederland, waarin de lange termijn lasten en lusten (informeel) werden geregeld. De kerncentrale kwam er en politiek werd zelfs tot recent een optie genomen op meer. Als toenmalig inwoner van Zeeland begreep ik al snel dat de locatie aan zee en de geringe bevolkingsdichtheid ten opzichte van andere provincies een pré was. België dacht er het hetzelfde over en bouwde er een paar meer in Doel aan de Belgische Scheldeoever. Mijn moeder kijkt nu vanuit haar woonkamer op Borssele en vanuit de slaapkamer op Doel. Eerst had ze uitzicht op de toekomst, nu op een kostbare exit.

Stad versus platteland
Randstedelingen doen er goed aan om dergelijke sociale contracten heel serieus te nemen en niet te lichtvaardig te verbreken nu de aandacht verschuift naar weer nieuwere energietechnologieën. Het geheugen in de provincie is wat langer dan in de meer vluchtige Randstad. Voor de huidige energietransitie is het platteland hard nodig om de doelstellingen te realiseren. Ook hier geldt dat het vertrouwen van het platteland niet gewonnen wordt door legitieme zorgen te negeren of te bagatelliseren, noch door de indruk te wekken dat men alleen steun krijgt als er te oogsten valt en niet als er nog lang na het feestje moet worden opgeruimd. Indien dat laatste de teneur wordt in de energiediscussie tussen stad en platteland (laat staan als we sociale contracten moeten afsluiten met EU-dimensies) dan heb ik er een hard hoofd in de komende veranderingen. De beweging naar wind op zee gaat deze discussies deels uit de weg (ze staan wel echter binnen de zichthorizon), maar zijn in feite onderdeel van een nieuw sociaal contract waarbij, mocht wind op zee ooit vervangen worden door een betere en meer comfortabele energietechnologie, ook de zee weer moeten worden opgeruimd. Komt die rekening, als de opruimvoorzieningen tekortschieten, dan alleen terecht bij de kustprovincies zoals nu wellicht bij Zeeland het geval is? Hoezeer het politieke en het energielandschap ook is veranderd en welke ‘fouten' er zijn gemaakt in het verleden, de langjarige solidariteit is misschien juist bij het langzaam afscheid nemen van een energietechnologie van groot belang voor het vertrouwen scheppen in de toekomst.

Coby van der Linde is directeur van het Clingendael International Energy Programme (CIEP)