Opinie, Politiek, Markt, Klimaat
30 augustus 2018

Een minimale CO2-prijs verhult de echte oplossing

Hans van Cleef over het belang van nationaal CO2 beleid dat investeren in verduurzaming blijvend stimuleert, met voor de overheid als optie zelf CO2-rechten op te kopen

 

De CO2-prijs schiet door het dak. In een oogwenk is de prijs voor CO2-emissierechten gestegen van nog geen acht euro per ton aan het begin van dit jaar, tot meer dan 21 euro medio augustus. Het besluit van de Europese Commissie om onder het ‘Market Stability Reserve' mechanisme overtollige rechten van de markt te halen, en daarmee het overaanbod in te tomen, leidt er mede toe dat marktspelers massaal rechten zijn gaan aankopen. Een hogere vraag ten behoeve van elektriciteitsopwekking is een ander argument. Het mooie van deze ontwikkeling is dat het bewijst dat het Emission Trade Scheme (ETS) uitstekend werkt: minder aanbod en een stijgende vraag leidt tot een hogere prijs.

 

Hoewel de ervaring leert dat een zeer snelle prijsstijging meestal gevolgd wordt door een neerwaartse prijscorrectie, zal de huidige opgaande trend volgens mij doorgang vinden in de komende jaren. Het Europese beleid om steeds minder rechten beschikbaar te stellen moet zorgen voor een prikkel om verduurzaming binnen de betreffende sectoren te versnellen. Zowel de recente prijsontwikkeling als de geluiden vanuit deze sectoren beloven veel goeds. Uiteraard zullen er mensen blijven die zeggen dat het niet snel genoeg gaat, en dat de prijs voor emissierechten nog veel hoger moet worden. Maar de energietransitie moet niet alleen tijdig, maar ook grondig gebeuren. Snel en goed gaat nu eenmaal niet altijd goed samen zegt mijn moeder altijd. Daarnaast zijn de doelstellingen gericht op 2050. Zoals vaker gezegd betekent dit dat het tempo van de energietransitie omhoog moet, maar wel op een verantwoorde wijze. Ook niet onbelangrijk is dat het uiteindelijke doel niet een hoge CO2-prijs, maar CO2-reductie is.

Vraag is of de politiek er goed aan doet om een minimale CO2-prijs in Nederland te introduceren

Onlangs hebben de ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Financiën een wetsvoorstel voor een minimum CO2-prijs voor elektriciteitsopwekking in Nederland ter consultatie voorgelegd. Volgens het wetsvoorstel zou de minimale CO2-prijs moeten bestaan uit een combinatie van de CO2-prijs die volgt uit het ETS en een nationale heffing. De prijs loopt daarbij dan op van 18 euro per ton in 2020 tot 43 euro in 2030. De industrie en de elektriciteitssector zijn fel tegen de invoering van zo'n minimumprijs. Een nationale minimale CO2-prijs zou een negatieve invloed hebben op de concurrentiepositie (Nederlandse industrie/elektriciteit duurder dan in omringende landen) en de leveringszekerheid (Nederland wordt afhankelijker van import wat mogelijk leidt tot tekorten tijdens de piekvraag). Daarnaast liet het onderzoek van Frontier Economics recentelijk zien dat je daarmee vooral CO2-uitstoot exporteert, of anders gezegd, de benodigde elektriciteit steeds meer importeert. Maar met een huidige prijs van meer dan 21 euro per ton CO2 lijkt een minimale prijs van 18 euro in 2020 sowieso een wassen neus en draagt bij aan symboolpolitiek.

 

Je zou kunnen denken dat als de prijs toch al boven dit minimumniveau ligt, en naar verwachting zal blijven liggen, het voor de industrie- en de elektriciteitssector niet uitmaakt of de politiek zo'n maatregel invoert of niet. De voornaamste reden voor deze sectoren om dan toch tegen zo'n maatregel te zijn heeft volgens mij vooral te maken met vertrouwen. Vertrouwen dat de Europese Commissie verbeteringen aan het ETS - en daarmee de opgaande prijstrend - zal blijven steunen. Ook als dit begint te wringen met de financiële resultaten van de industrie en het bedrijfsleven. Vertrouwen in de politieke bereidwilligheid in Nederland om - zoals in het voorstel voor hoofdlijnen van het klimaatakkoord staat - zich maximaal in te zetten voor CO2-beprijzing in internationaal en regionaal verband (via verscherping van het ETS). Met andere woorden, vertrouwen in beleid wat de investeringsbereidheid in verduurzaming binnen deze sectoren voor langere termijn zou rechtvaardigen.

 

De vraag is dan ook of de politiek er goed aan doet om een minimale CO2-prijs in Nederland te introduceren. Wellicht is het verstandiger om te werken aan dit vertrouwen. Dat kan door langjarig beleid uit te stippelen dat investeringen in verduurzaming blijvend stimuleert en waarbij bedrijven over enkele jaren niet ineens met een complete omslag van inzichten wordt geconfronteerd, zoals bijvoorbeeld bij de bouw van nieuwe kolencentrales[1] het geval was. Mocht de overheid dan alsnog een actieve rol willen spelen in het sneller opdrijven van de CO2-prijzen dan is het wellicht verstandig om zelf CO2-rechten op te kopen. Bijvoorbeeld het kopen - en vernietigen van - de CO2-rechten die vrijkomen door het sluiten van onze kolencentrales, maar ook door de bouw van bijvoorbeeld windmolens. Dát heeft pas een prijsopdrijvend effect voor CO2-emissierechten, zorgt voor een gelijkblijvend speelveld en creëert vertrouwen in de politiek!

 

Hans van Cleef is senior energie econoom bij ABN AMRO Bank, @ABNAMROeconomen. Op Twitter is hij actief onder @hansvancleef



[1] De opdracht voor de bouw van nieuwe kolencentrales op de Maasvlakte (2x) en de Eemhaven werd in 2003 door de toenmalige minister van Economische Zaken Brinkhorst gegeven. Voorzieningszekerheid en de koppeling van gasprijzen aan de steeds verder oplopende olieprijs werden genoemd als de belangrijkste redenen. Hoewel een kolencentrale een levensduur van gemiddeld 35 jaar kent is onlangs besloten kolen te verbieden voor de opwek van elektriciteit. Tenzij de nieuwe kolencentrales kunnen worden omgebouwd naar gebruik van andere, duurzame, brandstoffen moeten deze uiterlijk in 2030 gesloten zijn. Dertien jaar na de opening, en dus ruim voor het verstrijken van de economische levensduur.