Duitse kolencommissie doet het anders

Duitsers en Nederlanders kunnen van elkaar leren als het gaat om de energietransitie, maar er zijn ook grote verschillen. Pieter Boot concludeert dit uit het rapport van de Duitse Kolencommissie.

Onlangs werd het rapport van de Duitse Kolencommissie (formeel Commissie voor groei, Structuurverandering en Werkgelegenheid) gepubliceerd. Er is lang op gewacht en het wordt gezien als het ‘begin van het eind' van de Duitse kolenstook. Er is een groot verschil in aanpak in Nederland en Duitsland. Wat adviseerde de commissie en waarin verschilt het van onze aanpak?

 

De Duitse Kolencommissie was een breed samengesteld gezelschap van 24 leden en vier voorzitters (twee voormalige minister-presidenten van deelstaten, een voormalig stafchef van bondskanselier Merkel en een hoogleraar milieu-economie). De commissie had in juni 2018 opdracht gekregen een concreet perspectief te schetsen voor de getroffen regio's; een beleidsinstrumentenmix te schetsen; aan te geven hoeveel investeringen daarvoor nodig waren; aan te geven hoe het emissiedoel voor de elektriciteitssector in 2030 gehaald zou kunnen worden en hoe een precies voorstel voor sluiting van kolencentrales daaraan kan bijdragen. En dat deed de commissie. Het voorstel was vrijwel unaniem door de commissieleden voorgedragen. Alleen de vertegenwoordiger van een bruinkoolregio was tegen.

 

De Commissie stelt het volgende voor:

  • De laatste kolencentrale sluit in 2038. Regelmatig moet worden nagegaan of het sluitingsplan nog reëel is. In 2032 wordt bezien of de laatste sluiting ook in 2035 mogelijk is.
  • Tot en met 2022 is een concreet sluitingsplan voorzien. In 2022 moet 7,7 gigawatt (GW) steenkoolvermogen en 5 GW bruinkoolvermogen van het net zijn. De ‘netreserve' (centrales die oproepbaar zijn door de system operators) die nu uit steenkoolcentrales bestaat, moet dan door gascentrales worden ingevuld.
  • De vrijkomende CO2-rechten in het Europese emissiehandelssysteem worden vernietigd. Omdat veel centrales ook warmte leveren (WKK), wordt alternatieve voeding van warmtenetten verder ontwikkeld en gestimuleerd.
  • Omdat een krappere markt wellicht tot een stijging van de elektriciteitsprijs zal leiden, moeten zowel industrie als huishoudens daarvoor vanaf 2023 volledig worden gecompenseerd. Dit is mogelijk door de landelijke overheid de netkosten te laten subsidiëren. De energie-intensieve industrie moet daarenboven langer gecompenseerd worden voor de impact van hogere CO2-prijzen.
  • Vooral bruinkoolregio's met geïntegreerde mijnbouw en bruinkoolcentrales worden getroffen. De getroffen regio's moeten vergaand worden ondersteund door betere verkeersverbindingen, ICT, onderwijs, innovatieregelingen, steun voor investeringen en verplaatsing van overheidsinstellingen. Ze beslissen daar zelf over. Dit onderdeel is tot 2023 vrij precies uitgewerkt. Zo bespreekt het advies zelfs de sneltrein van Cottbus naar Berlijn. Deze volledigheid zorgde voor de vertraging in het gereedkomen van het advies. De ondersteuning moet wettelijk worden vastgelegd, zodat ook volgende regeringen zich er aan moeten houden.
  • Eigenaren van kolencentrales worden financieel gecompenseerd. Deze compensatie komt bij voorkeur via afspraken tot stand, waarbij ook ondersteuning is van het personeel dat zijn werk verliest door omscholing of vervroegde pensionering. Als dit niet lukt, komt er een regeling. De compensatie van steenkoolcentrales kan via een tender plaatsvinden. Ook de centrale die nog in aanbouw is en niet wordt aangesloten, krijgt een vergoeding.
  • De leveringszekerheid wordt precies gemonitord, vergunningen van gascentrales moeten sneller worden gegeven en indien nodig komt er een investeringsimpuls.

 

Dit is nog maar een advies. Bij het eerste debat in de Bondsdag hebben politici aangegeven dat zij de besluiten nemen.

In sommige opzichten lijkt het advies op de Nederlandse aanpak. Zo wordt de uitbouw van wind- en zonne-energie toegejuicht en bevorderd. Deze uitbouw ziet de commissie als belangrijke factor om productiecapaciteit op peil te houden en het rendement van steenkoolcentrales omlaag te brengen. Ook het streven naar een breed gedragen advies voordat politieke besluiten genomen worden, lijkt op het onze. Hetzelfde is het geval bij de nadruk op het belang van monitoring en borging. Ten slotte kiezen we beiden, als puntje bij paaltje komt, voor een nationale aanpak. In Duitsland is dat het meest expliciet. Duitsland vertrouwt er niet op dat in 2030 omringende landen leveringszekerheid kunnen garanderen en daarom wil de Kolencommissie dat nationaal geregeld hebben.

Opvallend: Duits advies zwijgt over kosten

Op drie punten zie ik een groot verschil. Het eerste is het volstrekte gebrek aan belangstelling in het advies voor kosten. In de Nederlandse aanpak staat kosteneffectiviteit met stip bovenaan. In de opdracht aan de Duitse commissie komt het woord niet voor en wordt gevraagd om ‘lange termijn planningszekerheid'. In het advies is ook geen overzichtstabel van de maatschappelijke of overheidskosten van de aanpak. In Nederland zou zo'n advies door de minister niet eens in ontvangst worden genomen. En de roep om planningszekerheid spoort niet met ons vertrouwen in de markt.

 

Het tweede is de in Duitsland breed gedeelde zorg voor de industrie. In Nederland spreekt die ook enigszins uit het ontwerp-klimaatakkoord, maar de hoofdteneur van de kritiek door oppositie of economen is dat de industrie toch wel wat meer kan betalen. Niets daarvan in Duitsland. De netto-investeringen in de energie-intensieve industrie zijn al jaren negatief en de kracht van de industrie is zo sterk als de zwakste schakel in de waardeketen. De vestigingsplaatsfactoren zijn prima, maar dat zijn ze in de Verenigde Staten ook en daar zijn de elektriciteitskosten de helft van de Duitse. Nu verschillen onze posities hier. De in de meest recente OESO statistiek vermelde gemiddelde gasprijzen voor de Nederlandse en Duitse industrie zijn ongeveer gelijk (Nederlandse huishoudens betalen een kwart meer dan Duitse), maar de gemiddelde Duitse elektriciteitsprijzen zijn voor de industrie meer dan de helft en voor huishoudens zo'n drie-kwart hoger. Volgens Eurostat zijn de prijzen voor Duitse grootverbruikers zelfs het dubbele van de Nederlandse, hoewel daar tegemoetkomingen tegenover staan.

 

Het derde is de aandacht voor bredere aspecten van de energietransitie. Diepgaand wordt ingegaan op de sociaal-culturele structuur van de kolenregio's. Het gaat niet alleen om geld, maar ook om het feit dat de muziekvereniging door de bruinkoolmijn betaald wordt. Deels is dit vergelijkbaar met het proces van de sluiting van de Limburgse kolencentrales 50 jaar geleden. Maar het gaat verder. De aandacht voor onderwijs, infrastructuur en innovatie is concreet en precies.

 

Opmerkelijk hoe landen die dichtbij elkaar liggen in cultuur en aanpak kunnen verschillen. De uitdagingen zijn net iets anders, maar vooral de wijze waarop ze worden bezien. Echte belangstelling voor elkaar is dan belangrijk.


Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving