Opinie, Politiek, Markt, Klimaat, Wetenschap
15 augustus 2017

CO₂-opslag: mislukt in Nederland, succesvol in Noorwegen

Martien Visser over CCS kansen in het post-fossiele tijdperk

Vorige maand kopte dagblad Trouw: ‘Het failliet van de ondergrondse CO₂-opslag'. Na de mislukking van een CCS-project van Shell in Barendrecht en het afblazen van een soortgelijk initiatief in het Schotse Peterhead, is nu ook ROAD gesneuveld, het ambitieuze opslagproject van Uniper en ENGIE op de Maasvlakte. Einde oefening, aldus Trouw. Toch meldde de Rotterdamse haven dat men door wilde. Pieter Boot (PBL) schreef vorige week op Energiepodium eveneens dat we CO₂-opslag (CCS) niet kunnen missen. De meerderheid van de wetenschappers is dat met hem eens. Tevens hebben GroenLinks, ChristenUnie en D66 veel CCS in hun klimaatplannen opgenomen: zo'n 16 Mton CO₂ per jaar in 2030. U kunt dit lezen in de analyse van hun verkiezingsprogramma's door het PBL/CPB.

Ter illustratie, deze 16 Mton is 10% van de Nederlandse CO₂-emissie en gelijk aan de CO₂-vermindering die we komende jaren gaan realiseren door onze 6 miljoen huizen Nul op de Meter te maken. Niet mis dus. Zo'n kans kun je niet zomaar laten lopen. Toevallig is CCS ook nog een relatief goedkope maatregel. Reken er dus maar op dat het nieuwe kabinet fors gaat inzetten op CCS in haar klimaatplan. Maar voorlopig is de Nederlandse CCS failliet. Hoe verder?

“Aan CCS kleven nadelen, dat is bekend. Anders dan geothermie, kan CCS onder zee worden ontwikkeld. Uiteraard moet het wel professioneel gebeuren. Geen cowboys.”

Nederland heeft met haar lege offshore gasvelden goede mogelijkheden voor CCS. Onze tuinbouw kan profiteren door een deel van de opgevangen CO₂ te benutten. Onze energie-intensieve industrie is geclusterd, waardoor er grote schaalvoordelen bij de ontwikkeling van CCS te behalen zijn. Ook hebben we bedrijven die de CCS-infrastructuur kunnen ontwikkelen, (laten) bouwen en beheren. Nederland heeft dus op papier een uitgelezen kans om CCS te ontwikkelen en vervolgens in de rest van de wereld uitrollen waardoor de impact van onze inspanningen veel groter kan zijn dan alleen Nederland. En we kunnen eraan verdienen. Zo ongeveer als Denemarken met windenergie: Dong is wereldwijd toonaangevend. Vestas heeft nu 22000 medewerkers en behaalde vorig jaar een winst van €1,6 miljard.

Aan CCS kleven nadelen, dat is bekend. We moeten namelijk diep in de aarde aan de slag, dat willen we liever niet. Maar anders dan geothermie, kan CCS onder zee worden ontwikkeld. Dat scheelt, maar uiteraard moet het wel professioneel gebeuren. Geen cowboys. Een vaak genoemd nadeel is dat met CCS fossiele energie CO₂-vrij kan worden, waardoor er minder noodzaak is om duurzame energie te ontwikkelen. Dat is geen goed argument wanneer we vinden dat het klimaatprobleem urgenter is dan onze afhankelijkheid van fossiel. Het gebruik van fossiele energie zal overigens vanzelf afnemen, omdat hernieuwbare energie snel goedkoper wordt.

CCS kan overigens in het post-fossiele tijdperk worden toegepast op biomassa, wat leidt tot negatieve emissies. Mogelijk is dat nodig. We kunnen dan zelfs CO₂ uit de lucht te halen om op te slaan. Dat klinkt misschien als ‘ver weg', maar in Zwitserland draait al een proeffabriek.

 

Stel even dat het nieuwe kabinet inzet op CCS, naast uiteraard fors uitbreiding van zon en wind. Hoe moeten ze dat dan aanpakken, na al die mislukkingen?

Laten we eens kijken naar Noorwegen. Daar draaien al twee grote CCS-projecten en is een derde in voorbereiding. Het oudste project is Sleipner, waar al vanaf 1996 jaarlijks 1 Mton CO₂ onder de grond wordt gestopt. In 2014 is Sleipner uitgebreid met een extra injectieveld. Het tweede project is Snøhvit (‘Sneeuwwitje'), waar sinds 2008 CCS draait met 0,7 Mton CO₂ per jaar.

De grootte van het derde Noorse project, Smeaheia, is nog onbekend. Noorwegen, in duurzaam Nederland vooral bekend van de waterkracht en de elektrische auto's, is dus wel succesvol met CCS. Het kloppend hart achter dit Noorse succes is Gassnova (‘nieuwe Gasunie') dat in 2005 door de Noorse overheid speciaal voor de ontwikkeling van CCS werd opgericht. Gassnova heeft ruim 40 medewerkers en haar hoofdtaken zijn het verbeteren van de CCS-technologie, adviseur van de Noorse regering en het doen van voorstudies voor nieuwe full-scale CCS projecten. Gassnova is gevestigd ten zuiden van Oslo en heeft een eigen laboratorium met een eigen onderzoekportefeuille met een budget van €10-20 miljoen per jaar.

 

Bovendien bezit Gassnova samen met Shell, Statoil en Sasol het Technology Centre Mongstad (TCM). Dit is de grootste industriële testfaciliteit voor CCS in de wereld. Juist vorige week heeft de Noorse regering een budget van €85 miljoen beschikbaar gesteld, zodat de activiteiten in TCM na 2020 kunnen worden voortgezet.

Gassnova neemt zelf geen full-scale CCS-projecten ter hand. Ze heeft daar als kleine onderneming de kennis en vaardigheden niet voor. Dat is een taak voor het staatsgas- en oliebedrijf Statoil, om precies te zijn, van de dochteronderneming Statoil New Energy Solutions.

 

Vergelijk de Noorse aanpak met Nederland. In Nederland hebben we het CCS-programma CATO, dat loopt vanaf 2004. Toevallig loopt er op dit moment juist een tender voor nieuwe projectvoorstellen, met een budget van €1 miljoen. Geen klein geld, maar slechts een fractie van wat de Noren in CCS investeren. CATO bestaat uit een consortium met 40 partners. In Noorwegen wordt alle CCS kennis en ervaring geconcentreerd in Gassnova, waarmee ook continuïteit wordt gewaarborgd. Nederland heeft geen nationaal CCS laboratorium, laat staan semi-industriële testfaciliteiten, waarmee praktijkervaring wordt opgedaan. Wanneer ik op de CATO-website kijk, dan zijn proefschriften een belangrijk product. Bij Gassnova zie ik niets van dien aard. En terwijl de Noorse overheid haar staatsbedrijf Statoil opdracht heeft gegeven om full-scale CCS-projecten te gaan ontwikkelen en te (laten) uitvoeren, probeert de Nederlandse overheid (buitenlandse) private partijen te verleiden. Het is misschien met de wijsheid achteraf, maar toch ook wel te begrijpen waarom de Noren succes hebben met CCS, terwijl de Nederlanders falen.

 

Voorlopig moeten ik Trouw gelijk geven: de Nederlandse ondergrondse opslag van CO₂ is failliet. Gegeven het betoog van Pieter Boot en anderen is echter een snelle doorstart nodig. Goede kans dat het nieuwe kabinet daarmee aan de gang gaat. Ik beveel aan daarbij goed naar Noorwegen te kijken.

 

Martien Visser is lector energietransitie & netintegratie, Hanzehogeschool Groningen en Manager Corporate Strategy bij Gasunie