Opinie, Politiek, Markt, Klimaat
16 oktober 2017

20 megaton CO2-opslag in 2030 is prima te doen

Martien Visser: "Vergelijkbaar met opbouw offshore gasnetwerk in 1975-1985"

Het nieuwe kabinet is van plan een forse hoeveelheid CO2 onder de Noordzee te laten opslaan. Dat CCS (carbon capture and storage) belangrijk zou worden was bekend. De techniek is effectief en relatief goedkoop, zie ook het IBO-rapport ‘kostenefficiëntie CO2-reductiemaatregelen' uit 2015. Het Centraal Planbureau en het Planbureau voor de Leefomgeving concluderen in ‘Welvaart en Leefomgeving' dat voor CCS een belangrijke rol is weggelegd om de klimaatdoelen te halen. In haar recente rapport ‘Verkenning van Klimaatdoelen' hanteert het Planbureau voor de Leefomgeving als basispad zelfs 25 megaton CCS. Overigens hadden GroenLinks, D66 en CU in maart ook al een forse hoeveelheid CCS meegenomen.

Toch waren de kreten vorige week niet van de lucht: "verbazing", "verrassing" en zelfs de term "onrealistisch" passeerden de revue. Mogelijk dat deze mensen de laatste jaren hebben zitten slapen. Dat is natuurlijk hun goed recht. De kwalificatie "onrealistisch" kan ik niet plaatsen. Een analyse die dat aantoont heb ik niet gezien. 20 megaton CO2-opslag in 2030 is prima te doen.

“Alleen al de gasvelden in de Nederlandse Noordzee kunnen 1500 megaton CO2 bevatten”

Eerst even een paar cijfers, zodat we weten waar het over gaat. De 20 megaton CO2 (20 miljoen ton) bestaat uit 10 miljard m3 CO2-gas. De 20 megaton is gelijk aan 9% van onze totale CO2-emissie in het referentiejaar 1990. Anno 2017 zitten we op -11% ten opzichte van 1990. Het nieuwe kabinet wil daar -49% in 2030 van maken, dus minus 36 procentpunt tot 2030. Het plan voor CO2-opslag maakt daarom een kwart uit van het pakket aan maatregelen dat we tot 2030 over ons heen krijgen.

De techniek voor CCS is bekend en wordt in diverse landen toegepast: de VS, Australië, China, Canada, Noorwegen. Vaak gebeurt dat om de gas- en oliewinning te bevorderen. In Noorwegen om CO2 een laatste rustplaats te geven. Er is ook volop ruimte om CO2 ondergronds op te slaan. Alleen al de gasvelden in de Nederlandse Noordzee kunnen 1.500 megaton CO2 bevatten. Met de 20 megaton in 2030 kunnen we dan 75 jaar vooruit. Ruim voldoende om onze energieproductie volledig te verduurzamen.

Blijft over: het tempo. Stel, we beginnen meteen, dan wordt het al gauw 2020 voordat de eerste spade de grond in gaat. De kritieke vraag is of Nederland in de periode 2020-2030 een CO2-systeem kan bouwen dat 10 miljard m3 CO2 ophaalt bij de industrie, op druk brengt, naar zee transporteert, van waar het naar offshore locaties gaat en onder de grond wordt gestopt. Veel werk in slechts 10 jaar, denkt u. Zeker. Maar prima mogelijk. Sterker: we hebben het eerder gedaan!

De werkzaamheden komen namelijk goed overeen met de omgekeerde weg die we hebben bewandeld bij de ontwikkeling van offshore gas in de Noordzee. In 1974 besloot de toenmalige Minister van Economische Zaken Lubbers tot het kleine veldenbeleid. Dat deed hij heel simpel door de toenmalige Gasunie te verplichten al het aangeboden Noordzeegas tegen aantrekkelijke voorwaarden ("Gasunie helpt") van de producenten te kopen. Vervolgens moest Gasunie dit gas weer verkopen aan de Nederlandse industrie, zodat het Groningen gasveld gespaard kon worden. De benodigde gasleidingen liet Gasunie door (commerciële) bouwbedrijven bouwen. De overheid hield, als aandeelhouder van Gasunie, de vinger aan de pols en kon indien nodig ingrijpen.

Wat een succes! In de 10 jaren na 1974 werden op het Nederlandse deel van de Noordzee 40 offshore platforms geïnstalleerd en gasvelden tot ontwikkeling gebracht. Er werd in die tijd ruim 700 kilometer offshore gasleiding aangelegd. Al in 1985 was de gasproductie op de Nederlandse Noordzee al 15 miljard m3 per jaar. Later zou dit zelfs 30 miljard m3 worden.

Ook op land gebeurde veel. Het Noordzeegas was namelijk hoogcalorisch. Tussen 1975 en 1985 heeft Gasunie meer dan 1.000 kilometer gasleiding laten aanleggen, waaronder een fonkelnieuw leidingnetwerk voor het hoogcalorische gas. Ook zijn in deze periode bijna alle grote industrieën omgebouwd van Groningen gas naar hoogcalorisch gas, wat aanpassingen aan alle verbrandingsapparatuur vergde.

Nederland heeft dus tussen 1975 en 1985 een vergelijkbare of zelfs een grotere prestatie geleverd dan waar het kabinet nu met CCS op aanstuurt. Bedenk daarbij dat er in 1975 nog nauwelijks Nederlandse offshore industrie was en dat de meeste gasvelden op de Noordzee nog moesten worden gevonden. De kwalificatie "onrealistisch" is daarom niet goed te plaatsen. Of denkt u dat we in het huidige internettijdperk die stakkers uit de jaren '70 van vorige eeuw niet kunnen evenaren?

Laten we stoppen met moeilijk doen en onze energie richten op de organisatie van deze CO2-klus. We kunnen daarbij lering trekken uit het succes van het offshore Noordzee gasbeleid. Hoe moeten die flexibele CO2-inkoopcontracten er bijvoorbeeld uit zien? Hoe regelen we de tenders waarin eigenaren van offshore gasvelden kunnen inschrijven om CO2 op te slaan?

Dan nog een verzoek aan het nieuwe kabinet. Zorg ervoor dat het relatief goedkope CCS niet met hernieuwbare energie concurreert. Regel CCS daarom niet via de SDE (de subsidieregeling voor duurzame energie), maar met een aparte regeling. Dat draagt dan flink bij aan het maatschappelijk draagvlak voor CCS. Bovendien hebben we die hernieuwbare bronnen volop nodig. Goede kans overigens dat er zo rond 2030 geen subsidies voor CCS meer nodig zijn, door kostenverlagingen van CCS en hogere CO2-prijzen. Tegen die tijd kunnen we dan CO2 in onze buurlanden gaan ophalen. Dat vergroot het klimaateffect van onze inspanningen en, uiteraard, als goed koopman willen ook wat kunnen verdienen.

Maar nu aan het werk om de Nederlandse prestatie uit de periode 1975-1985 te evenaren. En verbeteren.

Martien Visser is lector energietransitie & netintegratie, Hanzehogeschool Groningen en Manager Corporate Strategy bij Gasunie. Hij schrijft zijn column op persoonlijke titel.