Energie en onderwijs
6 november 2018

Koolstofvergoeding maakt korte metten met oneerlijke concurrentie

Frans Rooijers over dat de ‘Vergoeding Externe Kosten'(VEK) het probleem oplost dat bedrijven door de extra reductiekosten, niet meer zouden kunnen concurreren met bedrijven elders in de wereld.

Tijdens ons 40 jarig jubileum hebben we onze studie naar de VEK (1) gepresenteerd, die in samenwerking is verricht met LTO-Glaskracht, Engie, Nuon, provincie Zuid-Holland, DCMR, Havenbedrijf Moerdijk, Gasunie en TenneT. Nou eigenlijk net voorafgaand aan ons jubileum, tijdens een hoorzitting in de Tweede Kamer over de kosten van het klimaatbeleid. Niet dat het de organisator van deze hoorzitting, Forum voor Democratie, maar ene jota interesseert hoe de kosten verdeeld moeten worden, hij vindt dat er helemaal geen kosten gemaakt moeten worden, maar toch een mooie gelegenheid om een goed doordacht beleidsinstrument te presenteren. Want zoals ik al vaker heb betoogd, al die mooie technische oplossingen komen er alleen als er goede beleidsinstrumenten zijn die er voor zorgen dat goedkope fossiele technieken structureel beconcurreerd kunnen worden. Alle mooie woorden van burgers in enquêtes ten spijt, als ze consument zijn kiezen ze voor de prijs, hooguit tien procent daargelaten. 

De reactie van minister Wiebes op ons plan was: "ei van Columbus, maar buitengewoon complex". En dat is natuurlijk waar, maar als het eenvoudig was, was het allang gebeurd. Dus dat is een slechte reden om niet verder te kijken hoe het VEK ontwikkeld kan worden. Het VEK lost het probleem op dat bedrijven ten gevolge van de extra reductiekosten, niet meer zouden kunnen concurreren met bedrijven die buiten de zone vallen met strenge reductie-eisen. Voor het ETS (Emissions Trading System) is er ongelijke concurrentie enerzijds met kleine bedrijven die niet onder het ETS vallen, en anderzijds met bedrijven van buiten de EU. Met gratis rechten wordt dit nu glad gestreken, maar zeker bij hogere ETS-prijzen, die nodig zijn voor een klimaatneutrale economie ( 250 euro per vermeden ton CO2?), kan dit nog zeer lastig worden. Met het VEK vallen alle emissies onder de eindheffing, en aan de grenzen van het systeem, hoogstwaarschijnlijk de EU, worden bedrijven gecompenseerd voor export en belast voor import.

We zijn gestimuleerd door minister Wiebes om dit Ei van Columbus hanteerbaar te maken

We zien twee ontwikkelingsroutes om het systeem hanteerbaar en concreet te maken. Ten eerste de vrijwillige route waarbij alle overheden en semi-overheden de externe kosten van de broeikasgassen van hun inkoop mee gaan nemen in de waardebepaling van hun bestedingen en die vergoeding vervolgens in een fonds gaan stoppen. De overheden besteden elk jaar circa 100 miljard euro aan pennen, auto's, benzine, wegen, bruggen, etc. Van al deze producten is de broeikasgasbelasting te bepalen en die zal worden verevend door de kosten in een fonds te stoppen. Uit dit fonds worden vervolgens innovatieve projecten gefinancierd van bedrijven die toeleverancier zijn in de keten van de producten, en die zodoende hun broeikasgasbelasting kunnen verlagen. De inkoopafdelingen van al de (semi-)overheden die mee gaan doen zullen een systeem krijgen waarmee de VEK bepaald wordt. 

De andere ontwikkeling is het opzetten van een internationaal consortium dat voor industriële producten, we denken aan chemie en metaal, een traject gaat ontwikkelen waarbij meerdere landen de VEK gaan invoeren. Ook hier weer gericht op een goed werkend systeem dat de VEK bepaalt en ruimte biedt voor specifieke processen die minder broeikasgassen veroorzaken. 

CE Delft blijft ook na 40 jaar volop werken aan nieuwe beleidsinstrumenten om de externe kosten te verlagen. 

  1. De VEK is een instrument dat de kosten van de vervuiling door een product volgens het principe ‘de vervuiler betaalt' neerlegt bij degene die dat product koopt. Dit is in de meeste gevallen de consument. Het is bijvoorbeeld een alternatief voor belastingen op CO2-uitstoot of fossiele energie.

Frans Rooijers is Directeur van CE Delft