Energie en onderwijs
7 augustus 2018

Is Nederland nu een goede of slechte leerling in de klas?

Pieter Boot: "De feiten liegen er niet om"
In het discours over de Nederlandse energietransitie zijn er twee meningen. Van oudsher wordt benadrukt dat we zowat de laatste in Europa zijn. Maar onze regering stelt bij voortduring welke grote ambities we hebben en ziet ons in een groep mondiale koplopers staan. Wat is nu waar? 
 
Eerst maar eens de feiten. Die liegen er niet om. Het in mei verschenen overzicht van het Europese Milieu Agentschap laat zien hoe de broeikasgasemissies zich sinds 1990 in de Europese Unie en de lidstaten hebben ontwikkeld. Die zijn fors gedaald. In 2016 waren deze met 24 procent gedaald. Relatief sterke afnames vonden plaats in het Verenigd Koninkrijk (39 procent), Denemarken (29 procent) en Zweden (26 procent). In Nederland bleef de afname echter op iets minder dan 12 procent steken - minder dan de helft van de Europese, maar ook minder dan bijvoorbeeld België (bijna 20 procent) of Frankrijk (16 procent), die het eigenlijk lastiger hebben dan wij omdat de elektriciteitsvoorziening door kernenergie wordt gedomineerd. Zelfs Polen deed het beter dan wij. Het verschil is vooral groot in de elektriciteitsproductie, waar in andere landen veel oude centrales werden gesloten, maar in Nederland juist nieuwe openden. Ook in de industrie is de afname van broeikasgasemissies slechts de helft van het Europese gemiddelde. Dus om een gelijke reductie in 2030 te bereiken, moet Nederland in vergelijking met onze buurlanden veel meer doen. Om een reductie van 40 procent broeikasgasemissies ten opzichte van 1990 te bereiken, hoeft Europa in 2016-2030 procentueel minder te reduceren dan wat het in 1990-2016 bereikte. Maar Nederland moet bijna viermaal meer doen. Maar als we nog eens beter naar de cijfers kijken, wordt het verschil nog schrijnender. In Europa is de daling gelijkmatig verdeeld over CO2 en andere broeikasgassen - dus er is een echt begin met de energietransitie gemaakt. In Nederland is de daling volledig te danken aan de overige broeikasgassen. Onze CO2-emissies zijn in deze periode toegenomen.  
“We lopen helemaal niet het hardst”

Cijfers over hernieuwbare energie geven een vergelijkbaar beeld. Het is bekend dat het aandeel hernieuwbare energie in Nederland relatief laag is: na Luxemburg het laagst van Europa. Dat zegt op zichzelf niet zoveel. We hebben nauwelijks waterkracht en zijn een dichtbevolkt land. Als we corrigeren voor onze oppervlakte en inwonersdichtheid, is de kans dat een Nederlander een windmolen in zijn buurt ziet in Nederland meer dan tienmaal zo groot als gemiddeld in Europa en zelfs groter dan in Duitsland. Maar erger is dat de achterstand in 2016 ten opzichte van het doel voor 2020 alweer volgens het Europees Milieu Agentschap in Nederland het grootst is van alle Europese landen, terwijl ook de toename van het aandeel in 2005-2016 in Nederland het geringst was. Opmerkelijk is dat juist landen met een relatief hoog aandeel hernieuwbare energie als Zweden, Finland of Letland, de grootste kans lijken te hebben hun doel voor 2020 te halen of overschrijden. Er komen nog veel windturbines op zee bij, maar ook met die grote toename lijkt het niet waarschijnlijk dat we ons doel voor 2020 zullen halen. Dat zal naar verwachting maar een klein aantal Europese landen overkomen. 
 
Minister Wiebes ontkent deze cijfers in zijn brieven aan de Kamer niet. Maar hij negeert ze wel. Hij legt de nadruk op het grote verschil tussen de hoge Nederlandse en lagere Europese ambities. We zitten in de kopgroep. Dat is natuurlijk prachtig. Maar door te negeren dat we momenteel op een grote achterstand staan, verwaarloost hij het verschil in inspanning dat nodig is. Minister Wiebes benadrukt dat degene die nu het hardst loopt, het makkelijkst de eindstreep zal halen. Dat is juist. Maar we lopen helemaal niet het hardst. We hebben momenteel een grote achterstand. We zullen dus al veel meer moeten doen om dezelfde streep te halen. Dus wellicht is het niet zozeer de omvang van de ambitie die het nu lastig maakt al concrete afspraken te maken, maar het verschil ten opzichte van de prestaties in het recente verleden. In vergelijking met andere landen hebben we lang stilgestaan. Het verschil tussen wat de komende jaren moet gebeuren en wat we deden is bij ons veel groter dan in omringende landen. Dat kunnen we best, maar we moeten het ons wel realiseren. 
 
Pieter Boot is Hoofd sector Klimaat, Lucht en Energie bij het Planbureau voor de Leefomgeving