Innovatie, Opinie, Markt
28 augustus 2017

Greenpeace: Nederland heeft groene industriepolitiek nodig

Joris Wijnhoven: "Gewenste ontwikkelingen kunnen we niet aan de markt overlaten"
Goed nieuws: De afgelopen tijd verschijnt de ene toekomstvisie over de mogelijkheden om onze industrie te vergoenen na de ander. Niet alleen van een milieuclub als Urgenda (met Quintel Intelligence), maar ook (en des te belangrijker) uit de hoek van McKinsey en grootverbuikersvereniging VEMW. Het is bemoedigend dat juist de bedrijven die onwaarschijnlijke hoeveelheden olie, kolen en gas verbruiken met een visie zijn gekomen hoe zij de uitstoot van CO2 in 2050 met 95% kunnen terugbrengen. Los van de beoordeling van de inhoud van die voorstellen en de vraag of dat op tijd komt, is de exercitie op zich een verademing en een teken dat het vizier nu op scherp staat.

Laten we wel wezen, dat is ook nodig. De reductie van de CO2-uitstoot wás al minimaal, stagneerde recent en zal volgens de planbureaus bij staand beleid richting 2030 zelfs omslaan in een toename. En het getouwtrek tussen overheid en industrie om zegge en schrijven 9 petajoule extra te besparen, zoals afgesproken in het Energieakkoord, getuigde ook niet echt van een grote bereidheid om serieuze stappen te zetten.

Toch veranderen er dingen. Dat zit hem niet zozeer in de gretigheid waarmee CEO's over elkaar heen buitelen om hun liefde aan het klimaatakkoord van Parijs te verklaren. Hoe hartroerend ook, die verklaringen gaan maar zelden gepaard met concrete beleidsvoorstellen, anders dan pleidooien voor een hogere CO2-prijs. Maar dan wel in Europees, of liever nog, mondiaal verband. Ik noem dat gratis politiek, want dat gaat nooit gebeuren. Alle politieke richtingaanwijzers staan de andere kant op: Merkel blokkeerde pas een bodemprijs voor CO2, medestander UK verlaat de EU en geharnaste tegenstanders als Polen en Hongarije voelen zich sterker dan ooit.
“Erken dat er een veel grotere rol voor overheidsingrijpen nodig is”

Veel belangrijker is dat genoemde rapporten serieuze analyses bevatten van technieken die industrieën kunnen gaan inzetten om van fossiele brandstoffen af te komen. Inclusief tijdspaden. Nogmaals: ik laat nu onze voorkeur voor elektrificatie boven CO2-opslag, het risico van lock-in bij het gebruik van restwarmte of de finesses van de groene waterstofeconomie even zitten. Waar het om gaat is dat het debat verschuift van wat de industrie niet wil, naar wat er kan en nodig is.

Dat leidt tot mooie taferelen. Ik kom op bijeenkomsten waar een zegsman van een chemisch bedrijf oprecht kwaad wordt dat we kostbare biomassa gesubsidieerd opstoken in een kolencentrale, terwijl hij zijn plantaardige alternatief voor olie letterlijk in rook ziet opgaan. Of waar een vertegenwoordiger van een metaalbedrijf ruiterlijk erkent dat de rekening van deze ingrijpende technologische operatie niet eenzijdig bij de belasting betaler kan worden neergelegd.

Terwijl de Haagse onderhandelaars zich naar verluidt vooral bezighouden met het aan elkaar voorlezen van hun verkiezingsprogramma's, is het een mooi moment na te denken over een nieuwe, maatschappelijke uitruil tussen industrie, overheid en samenleving. Ik noem vast drie ingrediënten.

Eén. Nederland gaat groene industriepolitiek voeren. Dat betekent dat we erkennen dat er een veel grotere rol voor overheidsingrijpen nodig is, dan de neo-liberalen lang hebben bepleit. We erkennen dat er qua klimaat technisch veel kan en ook zal gebeuren, maar te laat om aan de ambities van Parijs te kunnen voldoen. De gewenste ontwikkelingen kunnen we niet aan de markt overlaten, maar moeten we een handje helpen.

Twee. Bedrijven die voorop willen lopen bij echte technologische doorbraken, krijgen steun van de overheid. Door malle regels te schrappen en soepele vergunningen voor mooie technieken, maar ook in de vorm van financiële ondersteuning voor gewenste, duurzame toepassingen die nog niet uit kunnen. Net zoals de SDE+ helpt bij het overbruggen van de onrendabele top bij schone energie, komt er een financieringsmechanisme voor doorbraaktechnieken in de industrie. Uiteraard niet voor een LED-lamp, tochtstrip of buisisolatie, maar wel voor verregaande elektrificatie of een overstap op waterstof. Uitgangspunt: wat redelijk is om van een bedrijf te vragen, wordt verplicht. Wat nieuw en baanbrekend is, wordt gesubsidieerd, ook in de exploitatie. In ruil daarvoor garandeert de industrie grootschalige uitrol én kostendaling.

Drie. Deze groene industriepolitiek zal rechtvaardig gefinancierd worden. De potten voor schone energie worden via de ODE-regeling vrijwel helemaal gevuld door burgers en kleine bedrijven. De industrie profiteert vooral, want veel schone energie drukt de stroomprijs. Mijn pleidooi voor een financieringsmechanisme, gericht op industriële besparing, heeft echter alleen kans van slagen als de industrie erkent dat zij zelf moet bijdragen, bijvoorbeeld via een CO2-taks. Zo ontstaat er een herverdeling die per saldo uitpakt in het voordeel van de initiatiefrijken en in het nadeel van bedrijven die de neiging hebben achterover te leunen. Precies zoals we het hebben willen.

Joris Wijnhoven is Campagneleider klimaat en energie bij Greenpeace. Op Twitter is hij actief onder @JorisW_GP